MET EEN PENWORTEL IN DE KLEI

Wat hebben stokrozen, pastinaken, worteltjes, spinazie en (knol)venkel met elkaar gemeen? De titel verraadt het al: ze hebben allemaal een penwortel. Die penwortel delen ze ook met paardenbloem, boterbloem, herderstasje, weegbree en ridderzuring. De planten uit de eerste groep worden door ons gezaaid en geplant, die uit de tweede groep zijn meestal ongewenst hoewel ik zelf sommige ervan in mijn tuin tot bloei laat komen.

Planten met een penwortel hebben belangrijke voordelen ten opzichte van oppervlakkig wortelende planten. Ze zijn in staat om droge perioden met gemak te overleven, ze halen mineralen uit de diepte waar andere planten niet bij kunnen en als ze ook nog over een verdikte wortel beschikken slaan ze er reservevoedsel in op. Door hun lange wortel zijn ze stevig verankerd in de bodem en zijn minder kwetsbaar voor extreem weer.

penwortel van schorseneren herderstasje, onzichtbare penwortel
witlo(o)fpennen

Niets dan voordelen? Dat zou te mooi zijn. Laat ik beginnen met penwortelgroenten en daarna de onkruiden benoemen. Vanwege de lange en breekbare wortel is het moeilijk om zaden ervan voor te kweken. De snel groeiende wortel stoot vrij snel tegen de onderzijde van bloempot of teeltbak en zal krom gaan groeien. Om bij het verplanten te voorkomen dat de wortel breekt zul je een plantgat moeten maken waar de wortel rechtstandig in past. Als je

in de vollegrond teelt dan is er bij uitdunnen en verplanten hetzelfde gevaar van wortelbreuk. Groenten die naast de hoofdwortel nog verschillende zijwortels hebben kunnen

dan ook feitelijk niet verplant worden. Omdat in mijn tuin ook stokrozen groeien komen her en der spontaan nieuwe planten tot ontwikkeling. Zolang deze nog klein zijn is

verplanten geen probleem, maar in deze tijd van het jaar is het praktisch onbegonnen werk: de wortel zal waarschijnlijk afbreken als je de plant met schop of een plantschep wilt uitgraven. Zaai penwortelgroenten zo veel mogelijk op de definitieve plaats in de vollegrond. En dan is er toch nog een nieuw probleem: wie in een bak teelt op een harde ondergrond heeft vaak niet meer dan een 20 cm hoge teeltlaag. Daar zullen penwortelgroenten al snel hun neus gaan stoten. Ik heb het zelf opzettelijk uitgeprobeerd met wortelen. Ze trokken krom. Pastinaken, witlof, schorseneren, wortelpeterselie en haverwortel: begin er maar niet aan want ze worden onder normale omstandigheden langer dan 20 cm. Al deze wortelgroenten zijn ook moeilijk in kleigrond te telen. Met een penwortel in de klei zul je niet diep komen. De grond moet rul zijn om de wortel ongehinderd zijn

weg naar onderen te laten vinden. Dat is een van de redenen waarom deze groenten er nauwelijks worden geteeld.

En dan het penwortel(on)kruid. Weegbree, paardenbloem, kaasjeskruid en zuring zoeken in mijn tuin altijd een plaats waar ik er niet goed bij kan: tussen stoeptegels, voegen tussen bak en pad, langs gevels, tussen de afrastering. Het lijkt wel of ze willen zeggen: pak

me dan als je kan. En als me dat lukt dan gaat dat meestal niet met wortel en al. Die zit stevig ingeklemd op een plaats waar deze afbreekt als ik aan de stengel van de plant trek. Een paar weken later is de plant weer terug en begint het getrek weer opnieuw. Intussen gedraagt de bronzen venkel zich ook al als plaagkruid. Tientallen jonge plantjes laten zich met een schoffel niet verwijderen. Ze zullen uitgestoken moeten worden om geen wortelpunt in de grond achter te laten.

Teksten, Hans van Eekelen, auteur Groenmoes